In de middeleeuwen gebruikten boeren reeds wagens voor transport van de oogst van het land naar de boerderij en voor vervoer van hun producten naar de markt. Reeds toen hadden de boerenwagens de typische, specifiek Hollandse vorm met hun gebogen, naar achteren oplopende zijladders. Deze vorm, met de hoge wielen, heeft de Hollandse Boerenwagen steeds een sierlijke verschijning doen zijn. De wagens hebben tevens lang een functie gehad bij het vervoer van personen. Op het platteland is er hiervoor door de eenvoudige burgers zeker tot 1850 gebruik van gemaakt. Op de wagens werden dan drie planken dwars geplaatst op de zijladders, die als bankjes fungeerden. Houten bogen bespannen met zeildoek (de huif) zorgden voor beschutting bij slecht weer.
Jan Matthee kocht rond het jaar 1734 uit een erflating van burgemeester Hallincg een groote speelwagen, waarschijnlijk was dit van een Zuidhollandse type. De bovenste afbeeling is van een Gelderse type. Hij moet ergens er hebben uitgezien als bovenstaand.
|