Ik ondergeschreve schoolm(eeste)r tot Hedel verklare voor de opregte waarheid, dat ik d. Hillebrands onsen predikant niet alleen doorgaans in sijne predicatien de jonge luiden gehooren bestraffen over hare traagheid in het catechiseren, haar tijt stellende omdat goede werk te beginnen, maar dat hij ook dikwils in het particulier tegen mijn over dese iverloofheid met vele droefheid des harten geldaagt, als konnende geen middel, bedenken, hoe dit best te korrigeren, ter wij sijne aansoekinge, die hij gewoon was viermaal des jaars te doen, vrugteloos waren. Voorts dat hij des winters en bijsonder in den laatstleden een bekwame catechisatie heeft gehouden door welke de jeugt genoeg had kunne vorderen so sij ijverig waren geweest, gelijk hij haar heeft opgewagt dog eindelijk tevergeefs, en ten eenemaal van haar verlaten is, eer sij in de kenisse der goddelijke waarheid genoeg onderwese waren. Dit getuige ik onders(chreven) met ondertekeninge mijn hand. Actum Hedel den 15 aug(ustu)s 1711 Gijsbert van Hartevelt schoolm(eeste)r
|