Wie reisde met de trekschuit? J. De Vries, die een onderzoek instelde naar de Hollandse trekschuiten in de zeventiende eeuw, komt hier tot de conclusie dat behalve de rijkste klassen iedereen met de trekschuit reisde. De rijkste klassen hadden immers hun eigen koetsen en paarden. Ook de armsten konden ondanks de kosten met de trekschuit reizen omdat de stad via armenkassen de helft van een ticket betaalden. De stad kon zo ook verlost worden van bedelaars die met de trekschuit ver werden weggevoerd. En alhoewel het transportmiddel bij uitstek voor de armen de voeten waren, moet je er wel rekening mee houden dat ook dat niet gratis was. Er waren immers tal van tollen en het was ook tijdrovender. Het grootste deel van de reizigers komt echter uit de middenklasse. In het begin van de achttiende eeuw echter werden trekschuiten gebouwd waarbij de verschillende klassen apart konden zitten. De een in het ruim en de ander in de roef. Hierbij ging dan wel een kans voorbij voor de reizigers om in direct contact te treden met de inlandse bevolking. In de achttiende eeuw werden de trekschuiten in de eerste plaats gebruikt voor zakenreizen en ook door magistraten. Op de tweede plaats kwam de vrije tijd. Hierbij waren vooral het bezoeken van kermissen, jaarmarkten en familie het belangrijkste element om te reizen.
|
Bevindingen uit het reisboek van John Durant Breval (1680? – 1738)
Wat betreft de Zuidelijke Nederlanden blijft Breval beknopt. Hij spreekt met antipathie over de Franse en Oostenrijkse overheersingen die, naar zijn mening, de Zuidelijke Nederlanden ten gronde gericht hadden.
Het wegennet werd er gevoelig uitgebreid en verbeterd gedurende de achttiende eeuw, de vervoersmogelijkheden werden meer comfortabel en tijdens deze eeuw kenden de Oostenrijkse Nederlanden een periode van relatieve rust en vrede.
|